All posts by roos_dick

Verhuisregeling hypotheekrente

De maximale termijn voor behoud van hypotheekrenteaftrek voor de te koop staande eigen woning was drie jaar na afloop van het jaar waarin de woning te koop is komen te staan. Die termijn gold tot en met 2014. Dit betekende dat als de woning in 2011 te koop was gezet, voor die woning nog recht op hypotheekrenteaftrek bestond in 2014. Na 2014 zou de maximale termijn weer op twee jaar worden gebracht. De maximale termijn voor behoud van hypotheekrenteaftrek voor de te koop staande eigen woning is per 1 januari 2015 echter wettelijk vastgelegd op drie jaar.

De maximale termijn voor het verkrijgen van hypotheekrenteaftrek voor de nog leegstaande toekomstige eigen woning (bijvoorbeeld een woning in aanbouw) is ook wettelijk vastgesteld op drie jaar.

Eindejaarstips 2014

Onze nieuwsbrief Aan de Orde 2014-5 is beschikbaar met o.a.

  • Fiscaal vriendelijk fietsen ook in 2015 mogelijk
  • Ga na of het zinvol is om uw leasecontract aan te passen
  • Rij tot 2017 goedkoop en zonder bijtelling
  • Ga als ZZP’er pensioen opbouwen
  • Ga tijdig na of u in 2014 aan het urencriterium voldoet
  • Houd rekening met veranderingen kindregelingen
  • Eindejaarstips

U kunt deze hier downloaden AanDeOrde-2014-5

VAR wordt beschikking geen loonheffingen

Opdrachtgevers en zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) worden binnenkort beiden verantwoordelijk voor de beoordeling of hun arbeidsrelatie moet leiden tot afdracht van loonbelasting en premies. Dat staat in het wetsvoorstel “Wet invoering beschikking geen loonheffingen”, dat op Prinsjesdag al werd aangekondigd en onlangs bij de Tweede Kamer is ingediend. De beschikking geen loonheffingen (BGL) vervangt de Verklaring arbeidsrelatie (VAR).

Op dit moment kunnen opdrachtnemers op grond van de artikelen 3.156 en 3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vier soorten VAR’s aanvragen: de VAR-winst uit onderneming (VAR-WUO), de VAR-directeur-grootaandeelhouder (VAR-DGA), de VAR-Loon en de VAR-resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-ROW). Bij de eerste twee bestaat een vrijwaring van de opdrachtgever, zodat de Belastingdienst bij een onjuiste VAR niet kan handhaven bij de opdrachtgever, maar alleen bij de opdrachtnemer. De VAR creëert een schijnzekerheid voor de opdrachtnemer, omdat de fiscale kwalificatie van het inkomen voor de inkomstenbelasting pas plaatsvindt bij de aangifte inkomstenbelasting op basis van de VAR en de gegevens over de feitelijke arbeidsrelatie die dan pas bekend zijn. De maatregelen van het wetsvoorstel zijn:

1. Beschikking geen loonheffingen (BGL) vervangt VAR’s
De BGL wordt geregeld in het nieuwe artikel 8b van de Wet loonbelasting en beperkt zich tot een oordeel of voor de arbeidsverhouding onder die wet geen inhoudingsplicht bestaat, wat ook doorwerkt in de inhoudingsplicht voor de premie volksverzekeringen en de verschuldigdheid van premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. De Belastingdienst kent een verzoek om een BGL toe of wijst deze af. Tegen een afwijzing is bezwaar mogelijk. Een BGL wordt afgegeven voorafgaand aan (het deel van) het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft en is voor dat kalenderjaar geldig, maar voor in het kalenderjaar aangevangen werkzaamheden kan deze geldigheid onder omstandigheden worden verlengd. Een BGL geeft niet langer een voorlopig oordeel over de wijze waarop de werkzaamheden voor de inkomstenbelasting moeten worden gekwalificeerd en zegt dus bijvoorbeeld niets over de vraag of iemand in aanmerking komt voor de ondernemersfaciliteiten. Als een BGL-houder bij het UWV een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen aanvraagt, en daarmee een vraag voorlegt met betrekking tot de verzekeringsplicht, zal het UWV zelfstandig een beslissing hierover nemen. Het UWV en de Belastingdienst beoordelen op dezelfde wijze op basis van de wet en de gezamenlijke beleidsregels of sprake is van een dienstbetrekking. Als blijkt dat sprake is geweest van een verzekerde arbeidsverhouding, bestaat recht op een uitkering als aan de overige voorwaarden daarvoor wordt voldaan.

2. Introductie medeverantwoordelijkheid van opdrachtgevers
De opdrachtgever wordt medeverantwoordelijk voor de controle op de juistheid van de BGL om het evenwicht in de verantwoordelijkheden tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te herstellen. Er wordt alleen zekerheid voor de loonheffingen verkregen, als naast het soort werkzaamheden dat wordt verricht, ook de wijze waarop en de condities waaronder in de praktijk wordt gewerkt, volledig overeenkomen met de wijze en condities die op de BGL staan vermeld. Deze wijze en condities hebben betrekking op wat de opdrachtnemer aan de Belastingdienst heeft gemeld bij de aanvraag van de BGL. Het betreft alleen de wijze en condities waarop opdrachtgevers zelf beslissende invloed kunnen uitoefenen, zoals of de opdrachtnemer zich mag laten vervangen voor de uitvoering van de werkzaamheden, wie het risico draagt voor schade en of de opdrachtnemer zelf zijn werktijden mag bepalen. Punten waarop de opdrachtgever geen beslissende invloed heeft, hoeft de opdrachtgever niet te controleren en worden daarom ook niet op de BGL vermeld. De opdrachtnemer is hiervoor verantwoordelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag voor hoeveel opdrachtgevers een opdrachtnemer werkt of hoeveel hij investeert. Als de Belastingdienst naar aanleiding van feiten en omstandigheden waarop de opdrachtgever geen beslissende invloed heeft, achteraf constateert dat toch sprake was van een dienstbetrekking, heeft dit uitsluitend gevolgen voor de opdrachtnemer en niet voor de opdrachtgever. In zo’n geval wordt bij de aanslag inkomstenbelasting van de opdrachtnemer diens inkomen als loon gekwalificeerd, maar is zijn opdrachtgever geen loonheffingen verschuldigd. De opdrachtgever moet een kopie van de BGL en een kopie van het identiteitsbewijs van de opdrachtnemer in zijn administratie bewaren.

3. Aanvraag BGL via webmodule
Om het aanvraagproces van de BGL transparanter te laten verlopen, wordt een webmodule geïntroduceerd. De webmodule geeft een beslissing over de inhoudingsplicht aan de hand van een serie vragen die zijn gebaseerd op de jurisprudentie. Direct na het invullen van de vragenlijst wordt zichtbaar of de aanvraag wordt toegekend. Het is daarna aan de opdrachtnemer om te beslissen of de BGL daadwerkelijk wordt aangevraagd. Aanvragen voor een BGL worden bewaard, zodat nieuwe aanvragen sneller kunnen worden gedaan. Het is de bedoeling om met de webmodule zowel het verzoek tot de BGL als de afgifte van de beschikking (de beslissing op dat verzoek) volledig te digitaliseren. Om dit vast te leggen, wordt in de wet een delegatiebepaling opgenomen die een volledig digitaal proces mogelijk maakt.

Om opdrachtgevers de tijd te geven om hun processen voor het inhuren van ZZP’ers aan te passen aan de nieuwe systematiek en opdrachtnemers de tijd te geven om een BGL aan te vragen, treedt de Wet invoering BGL niet meteen in werking na plaatsing in het Staatsblad, met uitzondering van twee overgangsmaatregelen. Ten eerste wordt het mogelijk gemaakt om de BGL alvast af te geven als de wet in het Staatsblad is geplaatst, maar nog niet in werking is getreden. In de tweede plaats wordt de geldigheidsduur van de VAR die betrekking heeft op het kalenderjaar 2014, verlengd tot de datum van inwerkingtreding van de wet. Belastingplichtigen die nog geen VAR 2014 hebben of andere werkzaamheden gaan uitvoeren dan waarop de VAR 2014 betrekking heeft, kunnen voor 2015 een VAR aanvragen. Deze blijft ook geldig tot de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Een verschil tussen de beslissing op het verzoek om een BGL en het verzoek om een VAR is dat de inspecteur in zijn beslissing geen enkele uitspraak meer doet over de fiscale kwalificatie van de werkzaamheden. Daardoor is de inspecteur bij de aanslagregeling van de opdrachtnemer onder het nieuwe regime niet gebonden en dat is nu precies een van de twee doelstellingen van het nieuwe regime. De tweede doelstelling is dat de opdrachtgever medeverantwoordelijk wordt voor de gegevens die de opdrachtnemer in zijn verzoek opneemt. Op dit moment is de opdrachtgever nog gevrijwaard van naheffing, ook als sprake zou zijn van een dienstbetrekking. Daarvoor moet de opdrachtgever wel aan een aantal voorwaarden voldoen, namelijk: (1) de opdrachtnemer heeft aan de opdrachtgever een kopie van een VAR-WUO of VAR-DGA gegeven, (2) de in de VAR genoemde werkzaamheden komen overeen met de werkzaamheden die feitelijk voor de opdrachtgever worden verricht, (3) de werkzaamheden worden verricht gedurende de geldigheidsduur van de VAR, en (4) de opdrachtgever heeft de identiteit van de opdrachtnemer vastgesteld en in de administratie vastgelegd alsof de opdrachtnemer een werknemer is. Om onder de nieuwe regeling in aanmerking te komen voor vrijwaring gelden bijna dezelfde voorwaarden. Er is echter wel een verschil. In de VAR moeten de in de aanvraag vermelde werkzaamheden overeenkomen met de werkzaamheden die de opdrachtnemer verricht. Onder de nieuwe regeling moeten niet alleen de werkzaamheden overeenkomen, maar ook de wijze waarop en de condities waaronder die werkzaamheden worden verricht. Datgene wat de opdrachtnemer over de wijze en condities daarover in zijn aanvraag voor de beschikking heeft vermeld, is in de tekst van de BGL overgenomen en het is aan de opdrachtgever om te checken of die wijze en condities overeenkomen met de feitelijke situatie. Als er verschillen zijn en de opdrachtgever gaat toch met de opdrachtnemer in zee zonder inhoudingen te doen op de beloningen, loopt de opdrachtgever een risico op naheffing. Door deze vorm van medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever zal een opdrachtgever onder het BGL-regime minder snel met een opdrachtnemer een contract aangaan dan onder het VAR-regime.

Bron(nen)
Ministerie van Financiën 22 september 2014, nr. DB/2014/376U, nr. DB/2014/U309; nr. DB2014/375

Werkkostenregeling

U kunt als werkgever onbelaste vergoedingen aan uw werknemer(s) geven. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan maaltijden, kerstpakketten, een ipad of een fiets. Dit kan via de Werkkostenregeling.

Vrije ruimte

U mag alleen onbelast vergoedingen geven als het totaalbedrag hiervan onder de 1,2% (2015) van uw loonsom blijft. Dit is de vrije ruimte.
Komt het bedrag van de vergoedingen boven die grens? Dan moet u over dat extra bedrag 80% belasting betalen.

Gerichte vrijstellingen en nihil waarderingen

Daarnaast zijn er in de werkkostenregeling gerichte vrijstellingen voor een aantal vergoedingen. Deze gaan, onder voorwaarden, niet ten koste van uw vrije ruimte.
Naast de vrijstellingen zijn er ook een aantal nihil waarderingen in de werkkostenregeling opgenomen. Met de nihil waarderingen wordt voorkomen dat een aantal voorzieningen die u op de werkplek ter beschikking stelt ten koste gaan van de vrije ruimte.

Noodzakelijkheidscriterium

Als een werknemer gereedschap, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur zonder meer nodig heeft om zijn werk te doen, kan de werkgever deze verstrekken zonder fiscaal rekening te hoeven houden met het privévoordeel van de werknemer. Mede hierdoor vervalt het fiscale onderscheid tussen computers, smartphones en tablets. Voor de zakelijke iPad geldt bovendien niet langer de ‘zakelijke gebruikseis’ van meer dan 90%.

Werkkostenregeling vanaf 2015

U hoeft als werkgever nog maar één keer per jaar vast te stellen wat de (eventuele) verschuldigde belasting voor de werkkostenregeling is. Desondanks is het van belang dat u de werkkostenregeling meerdere malen per jaar laat controleren/narekenen. Niet alleen om 80% eindheffing te voorkomen, maar ook om u te laten adviseren wat u kunt doen of welke besparing u kunt behalen met de overgebleven vrije ruimte.

Voor concerns wordt het mogelijk om onder voorwaarden de werkkostenregeling op concernniveau toe te passen in plaats van per concernonderdeel. Tevens wordt het verschil tussen vergoedingen en verstrekkingen weggenomen. Zaken die eerst alleen verstrekt mochten worden, mogen vanaf 1 januari 2015 ook onbelast worden vergoed. Daarnaast blijft onder de werkkostenregeling de regeling voor de personeelskorting voor producten eigen bedrijf bestaan.

Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met één van onze adviseurs.

Nieuwsbrief Aan de Orde 2014-4

Onze nieuwsbrief Aan de Orde 2014-4 is beschikbaar met o.a.

  • Werkkostenregeling
  • Aanpassing doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon
  • WOZ-waarde gedaald tot onder het niveau van 2007
  • Verklaring arbeidsrelatie (VAR) voor 2014 langer geldig
  • In 2014 nog belastingvoordeel in box 2
  • Deponeren jaarrekening moet straks verplicht digitaal

U kunt deze hier downloaden Aan De Orde-2014-4

Webshops en omzetbelasting

Webwinkels schieten de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond en maken grensoverschrijdende transacties een stuk eenvoudiger. Een Nederlandse consument kan op eenvoudige wijze goederen bestellen bij een Duitse webwinkel. Grenzen bestaan niet meer. Dit geldt echter niet voor fiscale grenzen. Eigenaren van webwinkels realiseren zich dat laatste vaak niet.

Als een goederenlevering tot stand komt omdat goederen worden besteld via een webwinkel, zijn voor het vaststellen of die levering belast is de normale regels van toepassing. Een goederenlevering is belast op de plaats waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt, tenminste als de goederen worden vervoerd in het kader van de levering. In andere gevallen, bijvoorbeeld als de klant zelf de goederen ophaalt of laat ophalen, is de levering belast op de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering. Bij verkopen via een webwinkel zullen de goederen (doorgaans) verzonden worden in het kader van de levering, zodat de levering belast is op de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt. Bij een Nederlandse webwinkel zal dat meestal Nederland zijn.

Afstandsverkoop

Ook als de afnemer van een Nederlandse webwinkel een in het buitenland gevestigde particulier is, is de levering als hoofdregel in Nederland belast met btw. Wanneer echter sprake is van een zogenaamde afstandsverkoop naar een ander EU-land, dan is de levering belast in het land waar de afnemer is gevestigd. In dat geval moet de leverancier zich in het betreffende EU-land registreren voor btw-doeleinden en aan de btw-verplichtingen voldoen.

De regeling voor afstandsverkopen is van toepassing als wordt geleverd aan:
•particulieren;
•landbouwers die onder de landbouwregeling vallen;
•ondernemers die uitsluitend vrijgestelde prestaties verrichten;
•rechtspersonen niet-ondernemers.

Voorwaarde is dat de leverancier op enigerlei wijze zorg draagt voor het vervoer van de goederen naar de afnemer. Wanneer dit volledig wordt overgelaten aan de afnemer is de regeling voor afstandsverkopen niet van toepassing. Verder is de regeling voor afstandsverkopen alleen van toepassing als een bepaald drempelbedrag voor leveringen naar dezelfde lidstaat wordt overschreden. De EU-landen hanteren hiervoor verschillende drempelbedragen. Duitsland kent bijvoorbeeld een drempelbedrag van EUR 100.000, terwijl België een relatief laag drempelbedrag hanteert van EUR 35.000. Een Nederlandse webwinkel die voor meer dan EUR 35.000 verkoopt aan Belgische particulieren moet dan Belgische btw in rekening brengen. De Nederlandse webwinkel zal zich in België moeten laten registreren voor btw-doeleinden en ook in België btw-aangifte moeten doen.

0%-tarief

Is de afnemer van de webwinkel een binnen de EU gevestigde ondernemer, dan is onder voorwaarden sprake van een intracommunautaire levering waarover 0% btw is verschuldigd. Is de afnemer (zowel ondernemer als niet-ondernemer) buiten de EU gevestigd, dan is sprake van een exportlevering die eveneens belast is met 0% btw.

Als leveranciers het 0%-tarief toepassen, dan moet aan de hand van boeken en bescheiden kunnen worden aangetoond dat terecht 0% btw is berekend. Bij een intracommunautaire levering is het 0%-tarief van toepassing als de goederen worden vervoerd naar een andere lidstaat én de afnemer een intracommunautaire verwerving aangeeft. Een leverancier mag ervan uitgaan dat de laatste voorwaarde is vervuld als hij beschikt over het btw-identificatienummer van de afnemer. Het is wel belangrijk dat hij controleert of het btw-identificatienummer geldig is! Het vervoer van de goederen naar een andere lidstaat kan worden aangetoond door middel van bijvoorbeeld vervoersdocumenten en dergelijke. Bij export buiten de EU moet de leverancier aantonen dat de goederen de Europese Unie hebben verlaten.

Tot slot

Goederenleveringen naar aanleiding van transacties via webwinkels of internet kunnen verschillende btw-gevolgen met zich meebrengen. Het is oppassen geblazen als de goederen bestemd zijn voor afnemers in het buitenland. Het zou zo maar kunnen dat een Nederlandse webwinkel zich in het buitenland moet registreren voor btw-doeleinden!

De Wet Werk en zekerheid (WWZ) is een feit!

In 2013 hebben het kabinet en de sociale partners een sociaal akkoord gesloten. Op basis hiervan heeft minister Asscher een wetsvoorstel ontworpen genaamd ‘Wet werk en zekerheid’ (WWZ). In dit voorstel is een drietal onderwerpen te onderscheiden:
•rechtspositie van flexwerkers;
•hervorming ontslagrecht;
•aanpassing Werkloosheidswet (WW).

Op 18 februari 2014 is dit wetsvoorstel in grote lijnen door de Tweede Kamer aanvaard. Op 10 juni 2014 heeft ook de Eerste Kamer zijn goedkeuring gegeven. Dit brengt met zich dat de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de rechtspositie van flexwerkers ingaat op 1 januari 2015. De Hervorming van het ontslagrecht zal plaatsvinden met ingang van 1 juli 2015. Er is al veel geschreven over de WWZ, maar omdat de wet nu is aangenomen, leest u in dit artikel de meest in het oog springende wijzigingen omtrent de rechtspositie van flexwerkers en de hervorming van het ontslagrecht.

Rechtspositie flexwerkers
In de nieuwe wet wordt de rechtspositie van de flexwerkers op een zestal punten gewijzigd. Onder flexwerkers worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd verstaan, maar ook werknemers welke op oproepbasis worden ingezet, zoals nulurencontracten en min-max contracten.

1. Proeftijd: ‘Proeftijd niet altijd meer mogelijk’
Niet bij alle contracten is het nog mogelijk om een proeftijd overeen te komen. Bij een (zeer) kort dienstverband is het vanaf 1 januari 2015 niet meer toegestaan om een proeftijd overeen te komen. Een proeftijd is er voor bedoeld om werkgever en werknemer de mogelijkheid te bieden om elkaar beter te leren ‘kennen’. Gedurende de proeftijd kan zowel de werkgever als de werknemer aftasten of het aangegane dienstverband de juiste keuze is geweest. Wanneer dit niet het geval is, kan ieder van de partijen onmiddellijk het dienstverband beëindigen. In beginsel hoeft hiervoor geen reden te worden opgegeven. De proeftijd mag bij arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde, en voor bepaalde tijd van twee jaar of langer, maximaal twee maanden bedragen. Voor arbeidsovereenkomsten die langer dan zes maanden maar korter dan twee jaar duren, mag de proeftijd slechts één maand bedragen.

Bij een opvolgende arbeidsovereenkomst kan er in beginsel geen nieuwe proeftijd worden overeengekomen, tenzij er sprake is van duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden, waarvan de werkgever zich nog geen beeld heeft kunnen vormen. Nu er geen ontslagbescherming voor de werknemer is gedurende de proeftijd, is met de wet meer zekerheid voor flexwerkers gecreëerd. In dat kader is nieuw opgenomen, dat er niet langer een proeftijd mag worden overeengekomen in een tijdelijk contract van maximaal een half jaar. Een werkgever zal in het vervolg dan ook moeten kiezen; ofwel een kort contract zonder proeftijd, ofwel een langer contract (in ieder geval voor de duur van meer dan 6 maanden) met proeftijd.

2. Concurrentiebeding: ‘Concurrentiebeding bij flexcontracten valt of staat met motivering’
Ook ten aanzien van het concurrentiebeding is de positie van flexwerkers verbeterd. Vanaf 1 januari 2015 zal het niet langer mogelijk zijn om een concurrentiebeding overeen te komen in contracten voor bepaalde tijd. Uitsluitend in een enkel geval zal hiervan mogen worden afgeweken. Door middel van het overeenkomen van een concurrentiebeding kan een werknemer restricties worden opgelegd ten aanzien van een toekomstige werkkring. Het beding moet schriftelijk worden overeengekomen en de werknemer dient meerderjarig te zijn. Met ingang van 1 januari 2015 zal hier een extra vereiste aan worden toegevoegd voor wat betreft tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Aangezien een concurrentiebeding belemmerend kan werken om een nieuwe baan te vinden, wordt in de ogen van de minister een flexwerker dubbel benadeeld. Enerzijds vanwege het contract voor bepaalde tijd en anderzijds vanwege het concurrentiebeding.

Om deze dubbele benadeling een halt toe te roepen, is in de wet opgenomen, dat het in principe verboden wordt om een concurrentiebeding overeen te komen in geval van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Indien een tijdelijke werknemer bijvoorbeeld specifieke werkzaamheden verricht of in een specifieke functie werkzaam is, kan van dit verbod worden afgeweken. Er is dan ook een uitzondering gecreëerd, waarbij een werkgever kan betogen dat op grond van zwaarwichtige bedrijfs- of dienstbelangen het toch noodzakelijk is om voor die betreffende flexwerker een concurrentiebeding overeen te komen. In het concurrentiebeding zelf dienen deze belangen van de werkgever te worden geformuleerd. Wanneer dit ontbreekt, is het beding per definitie nietig. Wanneer de werknemer van mening is dat er geen of niet langer sprake is van zwaarwichtige bedrijfs- of dienstbelangen, kan hij dit voorleggen aan de rechter. Die kan vervolgens het beding al dan niet buitenspel zetten.

3. Uitzendarbeid: ‘Termijn afwijking uitzendbeding aan banden’
Met ingang van 1 januari 2015 mag niet meer onbeperkt bij cao worden afgeweken van de termijn van het zogenaamde ‘uitzendbeding’. In het wetsvoorstel wordt dit aan banden gelegd. Er mag nog slechts gedurende 78 weken worden afgeweken. Dit betekent voor uitzendkrachten eerder zekerheid over hun inkomenspositie. In artikel 7:691 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, dat het mogelijk is om gedurende de eerste 26 weken waarin de uitzendkracht werkzaamheden verricht voor het uitzendbureau, schriftelijk te bedingen, dat de overeenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling op verzoek van de inlener eindigt. Dit wordt ook wel het zogenaamde ‘uitzendbeding’ genoemd. Een dergelijk beding biedt een uitzendbureau veel flexibiliteit. Zeker nu bij cao van de termijn van 26 weken mag worden afgeweken. Onbeperkt afwijken mag per 1 januari 2015 echter niet meer. Om de uitzendkracht eerder zekerheid te kunnen bieden, mag het uitzendbeding nog slechts worden verlengd tot maximaal 78 weken (1,5 jaar).

4. Oproepcontracten
In beginsel hoeft er geen loon te worden betaald als er geen arbeid door de werknemer is verricht. Een werknemer houdt echter recht op het loon, indien hij de arbeid niet heeft kunnen verrichten door een oorzaak die voor rekening van de werkgever behoort te komen. Het recht op loondoorbetaling kan op grond van de wet voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst worden uitgesloten. Vanaf 1 januari 2015 kan de loondoorbetalingsverplichting niet meer onbeperkt bij cao worden uitgesloten. Dit wordt thans teruggebracht naar de wettelijk bepaalde termijn van zes maanden. Hierdoor neemt de vaak langdurige inkomensonzekerheid voor de flexwerker in grote mate af. Het onbeperkt verlengen van voornoemde periode van zes maanden kan nog slechts in geval van bij cao te bepalen functies, welke incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang kennen. Ook kan op verzoek van de Stichting van de Arbeid bij ministeriële regeling worden bepaald, dat voor bepaalde bedrijfstakken in het geheel geen uitsluiting van de loondoorbetalingsplicht meer mogelijk is. Ten aanzien van de nulurencontracten in de zorg is hier inmiddels uitsluitsel over.

5. Aanzegtermijn: ‘Geen aanzegging: boete’
Vanaf 1 januari 2015 is het voor de werkgever niet langer mogelijk om te bepalen of en wanneer hij de medewerker die werkzaam is op een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd inlicht over de voortgang van de arbeidsrelatie. Bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer, zal voortaan een aanzegging van één maand in acht moeten worden genomen. Indien de werkgever zich daar niet aan houdt, zal hij daarvoor beboet worden.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt in beginsel van rechtswege zonder dat daarvoor voorafgaande opzegging en/of aanzegging benodigd is. Tenzij tussen werkgever en werknemer daarover andere afspraken zijn gemaakt. Om werknemers eerder zekerheid te kunnen bieden omtrent de continuering van het dienstverband, is in de wet opgenomen dat bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer een aanzegtermijn van één maand in acht moet worden genomen. Dit betekent, dat de werkgever minimaal één maand voor het einde van het bepaaldetijdcontract de werknemer schriftelijk dient te worden geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsrelatie en bij voortzetting onder welke voorwaarden dit alsdan geschiedt. Doet de werkgever dit niet, dan kost hem dit één bruto maandsalaris. Indien de werkgever later dan één maand voor afloop van het contract, doch voor de einddatum, de werknemer inlicht, zal er een vergoeding naar rato verschuldigd zijn. De vergoeding is overigens niet verschuldigd in geval van faillissement, surseance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

6. Ketenregeling: ‘Eerder contract voor onbepaalde tijd’
De wijzigingen ten aanzien van de ketenregeling gaan pas in op 1 juli 2015. Aangezien het wel belangrijk is alvast met deze wijziging rekening te houden bij het sluiten van nieuwe arbeidsovereenkomsten, vermelden wij deze hier wel. De vernieuwde ketenregeling ziet op een kortere keten van arbeidsovereenkomsten. Ook de maximale periode tussen twee opeenvolgende contracten wordt opgerekt. De mogelijkheden om met werknemers op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te werken, wordt dan ook in belangrijke mate ingeperkt.

De huidige ‘keten’ van arbeidsovereenkomsten mag maximaal drie arbeidsovereenkomsten gedurende een periode van maximaal 36 maanden tellen. De arbeidsovereenkomsten volgen elkaar op met een tussenpoos van maximaal drie maanden. Is de tussenpoos langer, dan kan er in beginsel een nieuwe keten van arbeidsovereenkomsten worden aangegaan. Dit gaat dus veranderen vanaf 1 juli 2015. De maximum periode van 36 maanden wordt namelijk teruggebracht naar 24 maanden. Ook de tussenliggende periode tussen twee opvolgende arbeidsovereenkomsten wordt verhoogd naar zes maanden. Er zal dus in veel gevallen sneller een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. De bedoeling is dat werknemers sneller zekerheid verkrijgen omtrent hun dienstbetrekking. Nu stopt de arbeidsrelatie vaak na het verloop van drie jaar contracten. Of deze wijziging er ook in de praktijk voor zal zorgen dat werkgevers eerder overgaan tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, is maar de vraag. Wel wordt het voor werkgevers nog meer van belang om een gedegen administratie te voeren aangaande de opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

Hervorming ontslagrecht: geen keuze tussen rechter en UWV
De preventieve toetsing van ontslag blijft gehandhaafd. Vanaf 1 juli 2015 hebben werkgevers echter niet meer de keuze door wie zij deze toets laten uitvoeren. Afhankelijk van de ontslaggrond zullen zij zich moeten wenden tot het UWV of de kantonrechter om te komen tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het UWV is enkel bevoegd bij ontslagen wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid. Voorgenomen ontslagen vanwege vermeend disfunctioneren, verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, andere in de persoon van de werknemer gelegen redenen of vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, zullen moeten worden getoetst door de kantonrechter. De gedachte is dat de rechter bij zijn beoordeling tevens de vraag kan betrekken of de werkgever een billijke vergoeding verschuldigd is vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Is dat het geval, dan kan de rechter die direct toekennen. De werknemer hoeft hiervoor dan niet alsnog naar de rechter.

Ontslag met instemming van de werknemer – bedenktijd werknemer
Nieuw is dat de verplichting tot het vragen van toestemming aan het UWV of het verzoek aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, niet geldt als de werknemer instemt met het ontslag. Deze instemming moet blijken uit een schriftelijke verklaring van de werknemer. Daarnaast kunnen werknemer en werkgever ook een beëindigingsovereenkomst sluiten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen (waarmee de mogelijkheid van ontslag met wederzijds goedvinden blijft bestaan). Daarbij heeft te gelden dat de werknemer twee weken bedenktermijn heeft om zijn instemming eenzijdig en zonder opgaaf van redenen te herroepen. In dat geval wordt de opzegging geacht niet te hebben plaatsgevonden. Deze bedenktermijn geldt ook bij beëindiging door middel van een gesloten beëindigingsovereenkomst: deze kan binnen veertien dagen na ondertekening buitengerechtelijk worden ontbonden. De werkgever dient de werknemer overigens binnen twee werkdagen na de instemming, dan wel in de beëindigingsovereenkomst te wijzen op deze bedenktermijn van veertien dagen. Doet hij dit niet dan wordt de bedenktermijn verlengd naar drie weken. Verder geldt dat de werknemer zich niet nogmaals kan herroepen indien hij binnen zes maanden na een eerdere herroeping opnieuw instemt met opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Dit heeft ook te gelden bij beëindiging met wederzijds goedvinden door middel van een vaststellingsovereenkomst.

Transitievergoeding en additionele vergoeding
Vanaf 1 juli 2015 is de werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding verschuldigd, mits de arbeidsovereenkomst ten minste twee jaar heeft bestaan. De vergoeding is over de eerste tien jaar van de arbeidsovereenkomst gelijk aan een derde van het maandsalaris per dienstjaar en een half maandsalaris per dienstjaar na het tiende dienstjaar. De transitievergoeding wordt gemaximeerd op een bedrag van 75.000 euro of op een bedrag gelijk aan ten hoogste het jaarsalaris van de werknemer als dat hoger is dan 75.000 euro.

De transitievergoeding is in beginsel altijd verschuldigd, met uitzondering van een aantal bij wet genoemde gevallen. Zonder uitputtend te zijn geldt o.a. tijdelijk (tot 1 januari 2020) een hogere berekeningsmaatstaf voor werknemers van 50 jaar en ouder, tenzij het een (kleine) werkgever betreft met minder dan 25 werknemers. Daarnaast kan (tot 1 januari 2020) de minister voorwaarden stellen dat dienstjaren voor 2013 niet meetellen in de berekening indien sprake is van een kleine werkgever waar het bedrijfseconomisch slecht mee gaat. Verder kunnen op de transitievergoeding kosten in mindering worden gebracht die verband houden met maatregelen gericht op het bevorderen van het vinden van een andere baan bij (dreigend) ontslag, voor zover dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

Opgemerkt wordt nog dat geen recht op een transitievergoeding bestaat bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. In dat laatste geval bepalen werkgever en werknemer immers zelf onder welke voorwaarden de arbeidsovereenkomst eindigt. De verwachting is echter dat er reflexwerking zal uitgaan van de regeling van de transitievergoeding. Indien het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, dan is de werkgever geen vergoeding verschuldigd. Bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever kan de rechter een additionele billijke vergoeding toekennen. Het gaat hierbij om uitzonderlijke gevallen waarbij de vergoeding een ander karakter heeft dan de transitievergoeding. De rechter bepaalt de hoogte van de additionele billijke vergoeding, waarbij hij rekening kan houden met de financiële situatie van de werkgever mocht daartoe aanleiding zijn.

Opzegtermijn inkorten
De Wet werk en zekerheid bepaalt dat de tijd die met de ontslagprocedure gemoeid gaat, afgetrokken mag worden van de opzegtermijn, zolang er maar één maand resteert. Dat geldt zowel bij opzegging als bij ontbinding. In dit laatste geval is in de wet opgenomen dat de rechter ontbindt tegen het moment dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen bij opzegging.

Hoger beroep en cassatie
In tegenstelling tot het huidige recht kan vanaf 1 juli 2015 een beslissing van het UWV worden voorgelegd aan de kantonrechter. Daarnaast is de mogelijkheid opgenomen dat hoger beroep en cassatie kan worden ingesteld tegen uitspraken van de kantonrechter.

HUIS OF TUIN NOG IN 2014 VERBOUWEN?

Voor als u nog een verbouwing of een tuinaanleg in de planning hebt staan voor de komende jaren: nu is misschien wel het beste moment. De BTW op dit soort kosten is tijdelijk verlaagd. U betaalt in 2014 6% in plaats van 21% BTW over de arbeidskosten. In 2015 betaalt u weer 21%.
De werkzaamheden moeten op 31 december 2014 echt voltooid zijn, anders betaalt u toch 21% BTW. Vooruit betalen helpt niet. Voor de materiaalkosten geldt het tarief van 6% niet, maar de huur van apparatuur en de voorrijkosten van de aannemer horen bij de arbeidskosten en daarvoor geldt dus ook maar 6% BTW.

Nieuwsbrief Aan de Orde 2014-3

Onze nieuwsbrief Aan de Orde 2014-3 is beschikbaar met o.a.

  • Auto van de zaak in 2014
  • Huis of tuin nog in 2014 verbouwen?
  • Wanneer moet een btw-factuur uiterlijk worden uitgereikt?
  • Belastingheffing recreatiewoning
  • Wanneer bent u ondernemer voor de inkomstenbelasting?
  • Gemeenten laten OZB voor bedrijven weer fors oplopen

U kunt deze hier downloaden AanDeOrde 2014-3

Harde straffen voor bewust te laat betalen

Per 1 januari 2014 is ook het opzettelijk niet, gedeeltelijk of te laat betalen van aangiftebelasting strafbaar. Dit betekent dat de ondernemer die bijvoorbeeld zijn btw-aangifte of de aangifte loonheffingen juist doet, maar het verschuldigd bedrag opzettelijk niet, gedeeltelijk of te laat betaalt naast een geldboete nu ook een gevangenisstraf riskeert.

Wij hebben dit reeds eerder gemeld, maar hier vindt u een artikel die hier wat verder op ingaat. Een gewaarschuwd mens telt voor 2.