All posts by roos_dick

Premiekorting voor jongere werklozen

Bedrijven kunnen vanaf 1 juli 2015 ook een premiekorting krijgen als zij een jongere uit de bijstand of WW aannemen bij een dienstverband van 24 uur per week. Aanpassing van de regeling was volgens Mirjam Sterk, ambassadeur Aanpak Jeugdwerkloosheid, nodig omdat er te weinig bedrijven gebruik maken van de regeling. Zij roept bedrijven op de 150 miljoen aan belastingvoordeel in 2015 niet onbenut te laten.

Om de werkgelegenheid voor jongeren te stimuleren, heeft het kabinet in 2014 tijdelijk een premiekorting voor jonge werknemers ingesteld. In de huidige regeling kan een werkgever in aanmerking komen voor een korting op de premies werknemersverzekeringen van € 3.500 per jaar als hij een jongere met een WW- of bijstandsuitkering in dienst neemt voor minstens 32 uur per week voor minimaal 6 maanden.

Van 32 naar 24 uur

De Tweede Kamer heeft de regeling onlangs aangepast, omdat er te weinig gebruik van wordt gemaakt. Voor 2014 was er 150 miljoen euro beschikbaar om 28.000 jongeren met een premiekorting aan de slag te helpen. Tot en met augustus 2014 is er ruim 2.000 keer gebruik van gemaakt. Vanaf 1 juli 2015 geldt de korting nu ook voor dienstverbanden vanaf 24 uur per week. “De nieuwe regeling sluit beter aan op de praktijk. De meeste jongeren werken 24 uur per week, zo blijkt uit cijfers van het CBS.”, zegt Sterk.

Bron HR Praktijk

Verhuisregeling hypotheekrente

De maximale termijn voor behoud van hypotheekrenteaftrek voor de te koop staande eigen woning was drie jaar na afloop van het jaar waarin de woning te koop is komen te staan. Die termijn gold tot en met 2014. Dit betekende dat als de woning in 2011 te koop was gezet, voor die woning nog recht op hypotheekrenteaftrek bestond in 2014. Na 2014 zou de maximale termijn weer op twee jaar worden gebracht. De maximale termijn voor behoud van hypotheekrenteaftrek voor de te koop staande eigen woning is per 1 januari 2015 echter wettelijk vastgelegd op drie jaar.

De maximale termijn voor het verkrijgen van hypotheekrenteaftrek voor de nog leegstaande toekomstige eigen woning (bijvoorbeeld een woning in aanbouw) is ook wettelijk vastgesteld op drie jaar.

Eindejaarstips 2014

Onze nieuwsbrief Aan de Orde 2014-5 is beschikbaar met o.a.

  • Fiscaal vriendelijk fietsen ook in 2015 mogelijk
  • Ga na of het zinvol is om uw leasecontract aan te passen
  • Rij tot 2017 goedkoop en zonder bijtelling
  • Ga als ZZP’er pensioen opbouwen
  • Ga tijdig na of u in 2014 aan het urencriterium voldoet
  • Houd rekening met veranderingen kindregelingen
  • Eindejaarstips

U kunt deze hier downloaden AanDeOrde-2014-5

VAR wordt beschikking geen loonheffingen

Opdrachtgevers en zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) worden binnenkort beiden verantwoordelijk voor de beoordeling of hun arbeidsrelatie moet leiden tot afdracht van loonbelasting en premies. Dat staat in het wetsvoorstel “Wet invoering beschikking geen loonheffingen”, dat op Prinsjesdag al werd aangekondigd en onlangs bij de Tweede Kamer is ingediend. De beschikking geen loonheffingen (BGL) vervangt de Verklaring arbeidsrelatie (VAR).

Op dit moment kunnen opdrachtnemers op grond van de artikelen 3.156 en 3.157 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vier soorten VAR’s aanvragen: de VAR-winst uit onderneming (VAR-WUO), de VAR-directeur-grootaandeelhouder (VAR-DGA), de VAR-Loon en de VAR-resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-ROW). Bij de eerste twee bestaat een vrijwaring van de opdrachtgever, zodat de Belastingdienst bij een onjuiste VAR niet kan handhaven bij de opdrachtgever, maar alleen bij de opdrachtnemer. De VAR creëert een schijnzekerheid voor de opdrachtnemer, omdat de fiscale kwalificatie van het inkomen voor de inkomstenbelasting pas plaatsvindt bij de aangifte inkomstenbelasting op basis van de VAR en de gegevens over de feitelijke arbeidsrelatie die dan pas bekend zijn. De maatregelen van het wetsvoorstel zijn:

1. Beschikking geen loonheffingen (BGL) vervangt VAR’s
De BGL wordt geregeld in het nieuwe artikel 8b van de Wet loonbelasting en beperkt zich tot een oordeel of voor de arbeidsverhouding onder die wet geen inhoudingsplicht bestaat, wat ook doorwerkt in de inhoudingsplicht voor de premie volksverzekeringen en de verschuldigdheid van premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. De Belastingdienst kent een verzoek om een BGL toe of wijst deze af. Tegen een afwijzing is bezwaar mogelijk. Een BGL wordt afgegeven voorafgaand aan (het deel van) het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft en is voor dat kalenderjaar geldig, maar voor in het kalenderjaar aangevangen werkzaamheden kan deze geldigheid onder omstandigheden worden verlengd. Een BGL geeft niet langer een voorlopig oordeel over de wijze waarop de werkzaamheden voor de inkomstenbelasting moeten worden gekwalificeerd en zegt dus bijvoorbeeld niets over de vraag of iemand in aanmerking komt voor de ondernemersfaciliteiten. Als een BGL-houder bij het UWV een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen aanvraagt, en daarmee een vraag voorlegt met betrekking tot de verzekeringsplicht, zal het UWV zelfstandig een beslissing hierover nemen. Het UWV en de Belastingdienst beoordelen op dezelfde wijze op basis van de wet en de gezamenlijke beleidsregels of sprake is van een dienstbetrekking. Als blijkt dat sprake is geweest van een verzekerde arbeidsverhouding, bestaat recht op een uitkering als aan de overige voorwaarden daarvoor wordt voldaan.

2. Introductie medeverantwoordelijkheid van opdrachtgevers
De opdrachtgever wordt medeverantwoordelijk voor de controle op de juistheid van de BGL om het evenwicht in de verantwoordelijkheden tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te herstellen. Er wordt alleen zekerheid voor de loonheffingen verkregen, als naast het soort werkzaamheden dat wordt verricht, ook de wijze waarop en de condities waaronder in de praktijk wordt gewerkt, volledig overeenkomen met de wijze en condities die op de BGL staan vermeld. Deze wijze en condities hebben betrekking op wat de opdrachtnemer aan de Belastingdienst heeft gemeld bij de aanvraag van de BGL. Het betreft alleen de wijze en condities waarop opdrachtgevers zelf beslissende invloed kunnen uitoefenen, zoals of de opdrachtnemer zich mag laten vervangen voor de uitvoering van de werkzaamheden, wie het risico draagt voor schade en of de opdrachtnemer zelf zijn werktijden mag bepalen. Punten waarop de opdrachtgever geen beslissende invloed heeft, hoeft de opdrachtgever niet te controleren en worden daarom ook niet op de BGL vermeld. De opdrachtnemer is hiervoor verantwoordelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag voor hoeveel opdrachtgevers een opdrachtnemer werkt of hoeveel hij investeert. Als de Belastingdienst naar aanleiding van feiten en omstandigheden waarop de opdrachtgever geen beslissende invloed heeft, achteraf constateert dat toch sprake was van een dienstbetrekking, heeft dit uitsluitend gevolgen voor de opdrachtnemer en niet voor de opdrachtgever. In zo’n geval wordt bij de aanslag inkomstenbelasting van de opdrachtnemer diens inkomen als loon gekwalificeerd, maar is zijn opdrachtgever geen loonheffingen verschuldigd. De opdrachtgever moet een kopie van de BGL en een kopie van het identiteitsbewijs van de opdrachtnemer in zijn administratie bewaren.

3. Aanvraag BGL via webmodule
Om het aanvraagproces van de BGL transparanter te laten verlopen, wordt een webmodule geïntroduceerd. De webmodule geeft een beslissing over de inhoudingsplicht aan de hand van een serie vragen die zijn gebaseerd op de jurisprudentie. Direct na het invullen van de vragenlijst wordt zichtbaar of de aanvraag wordt toegekend. Het is daarna aan de opdrachtnemer om te beslissen of de BGL daadwerkelijk wordt aangevraagd. Aanvragen voor een BGL worden bewaard, zodat nieuwe aanvragen sneller kunnen worden gedaan. Het is de bedoeling om met de webmodule zowel het verzoek tot de BGL als de afgifte van de beschikking (de beslissing op dat verzoek) volledig te digitaliseren. Om dit vast te leggen, wordt in de wet een delegatiebepaling opgenomen die een volledig digitaal proces mogelijk maakt.

Om opdrachtgevers de tijd te geven om hun processen voor het inhuren van ZZP’ers aan te passen aan de nieuwe systematiek en opdrachtnemers de tijd te geven om een BGL aan te vragen, treedt de Wet invoering BGL niet meteen in werking na plaatsing in het Staatsblad, met uitzondering van twee overgangsmaatregelen. Ten eerste wordt het mogelijk gemaakt om de BGL alvast af te geven als de wet in het Staatsblad is geplaatst, maar nog niet in werking is getreden. In de tweede plaats wordt de geldigheidsduur van de VAR die betrekking heeft op het kalenderjaar 2014, verlengd tot de datum van inwerkingtreding van de wet. Belastingplichtigen die nog geen VAR 2014 hebben of andere werkzaamheden gaan uitvoeren dan waarop de VAR 2014 betrekking heeft, kunnen voor 2015 een VAR aanvragen. Deze blijft ook geldig tot de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Een verschil tussen de beslissing op het verzoek om een BGL en het verzoek om een VAR is dat de inspecteur in zijn beslissing geen enkele uitspraak meer doet over de fiscale kwalificatie van de werkzaamheden. Daardoor is de inspecteur bij de aanslagregeling van de opdrachtnemer onder het nieuwe regime niet gebonden en dat is nu precies een van de twee doelstellingen van het nieuwe regime. De tweede doelstelling is dat de opdrachtgever medeverantwoordelijk wordt voor de gegevens die de opdrachtnemer in zijn verzoek opneemt. Op dit moment is de opdrachtgever nog gevrijwaard van naheffing, ook als sprake zou zijn van een dienstbetrekking. Daarvoor moet de opdrachtgever wel aan een aantal voorwaarden voldoen, namelijk: (1) de opdrachtnemer heeft aan de opdrachtgever een kopie van een VAR-WUO of VAR-DGA gegeven, (2) de in de VAR genoemde werkzaamheden komen overeen met de werkzaamheden die feitelijk voor de opdrachtgever worden verricht, (3) de werkzaamheden worden verricht gedurende de geldigheidsduur van de VAR, en (4) de opdrachtgever heeft de identiteit van de opdrachtnemer vastgesteld en in de administratie vastgelegd alsof de opdrachtnemer een werknemer is. Om onder de nieuwe regeling in aanmerking te komen voor vrijwaring gelden bijna dezelfde voorwaarden. Er is echter wel een verschil. In de VAR moeten de in de aanvraag vermelde werkzaamheden overeenkomen met de werkzaamheden die de opdrachtnemer verricht. Onder de nieuwe regeling moeten niet alleen de werkzaamheden overeenkomen, maar ook de wijze waarop en de condities waaronder die werkzaamheden worden verricht. Datgene wat de opdrachtnemer over de wijze en condities daarover in zijn aanvraag voor de beschikking heeft vermeld, is in de tekst van de BGL overgenomen en het is aan de opdrachtgever om te checken of die wijze en condities overeenkomen met de feitelijke situatie. Als er verschillen zijn en de opdrachtgever gaat toch met de opdrachtnemer in zee zonder inhoudingen te doen op de beloningen, loopt de opdrachtgever een risico op naheffing. Door deze vorm van medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever zal een opdrachtgever onder het BGL-regime minder snel met een opdrachtnemer een contract aangaan dan onder het VAR-regime.

Bron(nen)
Ministerie van Financiën 22 september 2014, nr. DB/2014/376U, nr. DB/2014/U309; nr. DB2014/375

Werkkostenregeling

U kunt als werkgever onbelaste vergoedingen aan uw werknemer(s) geven. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan maaltijden, kerstpakketten, een ipad of een fiets. Dit kan via de Werkkostenregeling.

Vrije ruimte

U mag alleen onbelast vergoedingen geven als het totaalbedrag hiervan onder de 1,2% (2015) van uw loonsom blijft. Dit is de vrije ruimte.
Komt het bedrag van de vergoedingen boven die grens? Dan moet u over dat extra bedrag 80% belasting betalen.

Gerichte vrijstellingen en nihil waarderingen

Daarnaast zijn er in de werkkostenregeling gerichte vrijstellingen voor een aantal vergoedingen. Deze gaan, onder voorwaarden, niet ten koste van uw vrije ruimte.
Naast de vrijstellingen zijn er ook een aantal nihil waarderingen in de werkkostenregeling opgenomen. Met de nihil waarderingen wordt voorkomen dat een aantal voorzieningen die u op de werkplek ter beschikking stelt ten koste gaan van de vrije ruimte.

Noodzakelijkheidscriterium

Als een werknemer gereedschap, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur zonder meer nodig heeft om zijn werk te doen, kan de werkgever deze verstrekken zonder fiscaal rekening te hoeven houden met het privévoordeel van de werknemer. Mede hierdoor vervalt het fiscale onderscheid tussen computers, smartphones en tablets. Voor de zakelijke iPad geldt bovendien niet langer de ‘zakelijke gebruikseis’ van meer dan 90%.

Werkkostenregeling vanaf 2015

U hoeft als werkgever nog maar één keer per jaar vast te stellen wat de (eventuele) verschuldigde belasting voor de werkkostenregeling is. Desondanks is het van belang dat u de werkkostenregeling meerdere malen per jaar laat controleren/narekenen. Niet alleen om 80% eindheffing te voorkomen, maar ook om u te laten adviseren wat u kunt doen of welke besparing u kunt behalen met de overgebleven vrije ruimte.

Voor concerns wordt het mogelijk om onder voorwaarden de werkkostenregeling op concernniveau toe te passen in plaats van per concernonderdeel. Tevens wordt het verschil tussen vergoedingen en verstrekkingen weggenomen. Zaken die eerst alleen verstrekt mochten worden, mogen vanaf 1 januari 2015 ook onbelast worden vergoed. Daarnaast blijft onder de werkkostenregeling de regeling voor de personeelskorting voor producten eigen bedrijf bestaan.

Wilt u meer informatie? Neem dan contact op met één van onze adviseurs.

Nieuwsbrief Aan de Orde 2014-4

Onze nieuwsbrief Aan de Orde 2014-4 is beschikbaar met o.a.

  • Werkkostenregeling
  • Aanpassing doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon
  • WOZ-waarde gedaald tot onder het niveau van 2007
  • Verklaring arbeidsrelatie (VAR) voor 2014 langer geldig
  • In 2014 nog belastingvoordeel in box 2
  • Deponeren jaarrekening moet straks verplicht digitaal

U kunt deze hier downloaden Aan De Orde-2014-4

Webshops en omzetbelasting

Webwinkels schieten de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond en maken grensoverschrijdende transacties een stuk eenvoudiger. Een Nederlandse consument kan op eenvoudige wijze goederen bestellen bij een Duitse webwinkel. Grenzen bestaan niet meer. Dit geldt echter niet voor fiscale grenzen. Eigenaren van webwinkels realiseren zich dat laatste vaak niet.

Als een goederenlevering tot stand komt omdat goederen worden besteld via een webwinkel, zijn voor het vaststellen of die levering belast is de normale regels van toepassing. Een goederenlevering is belast op de plaats waar de verzending of het vervoer van de goederen aanvangt, tenminste als de goederen worden vervoerd in het kader van de levering. In andere gevallen, bijvoorbeeld als de klant zelf de goederen ophaalt of laat ophalen, is de levering belast op de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering. Bij verkopen via een webwinkel zullen de goederen (doorgaans) verzonden worden in het kader van de levering, zodat de levering belast is op de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt. Bij een Nederlandse webwinkel zal dat meestal Nederland zijn.

Afstandsverkoop

Ook als de afnemer van een Nederlandse webwinkel een in het buitenland gevestigde particulier is, is de levering als hoofdregel in Nederland belast met btw. Wanneer echter sprake is van een zogenaamde afstandsverkoop naar een ander EU-land, dan is de levering belast in het land waar de afnemer is gevestigd. In dat geval moet de leverancier zich in het betreffende EU-land registreren voor btw-doeleinden en aan de btw-verplichtingen voldoen.

De regeling voor afstandsverkopen is van toepassing als wordt geleverd aan:
•particulieren;
•landbouwers die onder de landbouwregeling vallen;
•ondernemers die uitsluitend vrijgestelde prestaties verrichten;
•rechtspersonen niet-ondernemers.

Voorwaarde is dat de leverancier op enigerlei wijze zorg draagt voor het vervoer van de goederen naar de afnemer. Wanneer dit volledig wordt overgelaten aan de afnemer is de regeling voor afstandsverkopen niet van toepassing. Verder is de regeling voor afstandsverkopen alleen van toepassing als een bepaald drempelbedrag voor leveringen naar dezelfde lidstaat wordt overschreden. De EU-landen hanteren hiervoor verschillende drempelbedragen. Duitsland kent bijvoorbeeld een drempelbedrag van EUR 100.000, terwijl België een relatief laag drempelbedrag hanteert van EUR 35.000. Een Nederlandse webwinkel die voor meer dan EUR 35.000 verkoopt aan Belgische particulieren moet dan Belgische btw in rekening brengen. De Nederlandse webwinkel zal zich in België moeten laten registreren voor btw-doeleinden en ook in België btw-aangifte moeten doen.

0%-tarief

Is de afnemer van de webwinkel een binnen de EU gevestigde ondernemer, dan is onder voorwaarden sprake van een intracommunautaire levering waarover 0% btw is verschuldigd. Is de afnemer (zowel ondernemer als niet-ondernemer) buiten de EU gevestigd, dan is sprake van een exportlevering die eveneens belast is met 0% btw.

Als leveranciers het 0%-tarief toepassen, dan moet aan de hand van boeken en bescheiden kunnen worden aangetoond dat terecht 0% btw is berekend. Bij een intracommunautaire levering is het 0%-tarief van toepassing als de goederen worden vervoerd naar een andere lidstaat én de afnemer een intracommunautaire verwerving aangeeft. Een leverancier mag ervan uitgaan dat de laatste voorwaarde is vervuld als hij beschikt over het btw-identificatienummer van de afnemer. Het is wel belangrijk dat hij controleert of het btw-identificatienummer geldig is! Het vervoer van de goederen naar een andere lidstaat kan worden aangetoond door middel van bijvoorbeeld vervoersdocumenten en dergelijke. Bij export buiten de EU moet de leverancier aantonen dat de goederen de Europese Unie hebben verlaten.

Tot slot

Goederenleveringen naar aanleiding van transacties via webwinkels of internet kunnen verschillende btw-gevolgen met zich meebrengen. Het is oppassen geblazen als de goederen bestemd zijn voor afnemers in het buitenland. Het zou zo maar kunnen dat een Nederlandse webwinkel zich in het buitenland moet registreren voor btw-doeleinden!